Regie: David Kerr | Duur: 88 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Ooit had ‘rubber face’ Rowan Atkinson (1955) de lachers nadrukkelijk op zijn hand, in de rol van antiheld Mr. Bean. Had hij zich maar tot dat succes beperkt. Het is jammer dat de Britse acteur zich heeft laten strikken voor de bleke parodies Johnny English (2003), Johnny English Reborn (2011) en Johnny English Strikes Again. Voor alle drie geldt dat protagonist Johnny English de mislukte afgeleide is van Mr. Bean, waardoor er niet veel te lachen valt.

In Groot-Brittannië breekt de pleuris uit wanneer na een cyberaanval de personalia van alle geheim agenten op straat komen te liggen. Ex-spion Johnny English wordt hierop ingeschakeld om het brein achter deze snode daad te ontmaskeren.

Waarom zit er acht jaar tussen Johnny English en Johnny English Reborn? En duurt het zeven jaar eer we met Johnny English Strikes Again de beroepskluns opnieuw aan het werk zien? Niet omdat de tijd ertussen aan grondig denkwerk is besteed. Een parapluutje aan de neus getuigt daar in ieder geval niet van. En werkt mij bovendien niet op de lachspieren. Niet meer. Evenmin grappig: een English die op de dansvloer uit zijn dak gaat. Nog flauwer is de actie waarmee hij een peloton Franse wielrenners een halt toeroept. Qua humor richt de film zich duidelijk op kleuters; volwassenen zullen zich al snel vervelen.

Uiteraard weerspiegelt ook Johnny English Strikes Again de wereld anno nu en botsen moderne snufjes met het tijdperk-Desmond Llewelyn (‘Q’ in de James Bond-films). Twee werelden die co-existeren; het is eigenlijk het enige geslaagde plotlijntje in de film. Zo moet English enerzijds geloven aan virtual reality, maar verkiest hij anderzijds een vuurrode Aston Martin boven een hybride auto. Aardig is verder dat hij de met een iPad uitgeruste babyface-schurk zelfs in een middeleeuws harnas te slim af is. Die gekke Britten toch. Traditie voor alles.

Daarmee is de koek wel op. Johnny English Strikes Again is een magere komedie die ook niet leuker wordt door de aanwezigheid van de gelouterde Emma Thompson en de oogverblindende Olga Kurylenko. In Thompson zien we de hysterische variant van ‘Prime Minister’ Theresa May, Kurylenko speelt de femme fatale. Overtuigend is het allemaal niet. Hopelijk zet men een dikke punt achter deze franchise. Zo niet, think again.

 Regie: Christopher McQuarrie | Duur: 147 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Heeft Tom Cruise de eeuwige jeugd? De Hollywoodster telt inmiddels zesenvijftig lentes, maar beweegt nog steeds als een jonge god over de filmset. Stuntje hier, stuntje daar. Natuurlijk gaat dat wel eens mis, zoals vorig jaar in Londen tijdens de opnames voor Mission: Impossible – Fallout. Een riskante sprong van een stellage op een gebouw moest hij bekopen met (slechts) een gebroken enkel. Halsbrekend is ook zijn rit in een helikopter, aan het einde van dit zesde Mission: Impossible-deel. Een vermakelijk deel vol straffe actie.

IMF-agent Ethan Hunt (Cruise) ziet in Berlijn een missie in de soep lopen, waardoor drie levensgevaarlijke plutoniumkernen in de handen van extremisten belanden. Samen met zijn trouwe partners Luther (Ving Rhames) en Benji (Simon Pegg) moet Hunt hierop serieus aan de bak. Op uitdrukkelijk verzoek van CIA-baas Erica Sloan (Angela Bassett) krijgen ze hierbij bovendien assistentie van agent Walker (Henry Cavill).

“Please don’t make me laugh” luidt het slotakkoord van de film. Daar slagen de makers van Fallout vrij aardig in. McQuarrie’s tweede Mission: Impossible-film loopt niet over van de humor. Jammer, maar dat weegt minder zwaar dan het feit dat het verhaal, overzichtelijk in het begin, na een uur uiteenspat als een fragmentatiebom. Erg veel plotlijntjes. En zoals wel vaker in dit soort films vechten die met de bulldozerende actie om de gunst van de kijker. Omdat de spanning daarnaast vrij vlak is, verslapt na twee uur filmgeweld de aandacht. Een paar oneliners had in dit verband uitkomst kunnen bieden.

Een beetje droog dus, maar gelukkig biedt ‘MI 6’ verder veel goeds. Het camerawerk is fantastisch, de montage zo scherp als een scheermes en op het acteerwerk is weinig aan te merken, hoewel niemand van de cast je echt zal bijblijven. Op Cruise na dan. Hij bungelt weer heerlijk hartstochtelijk aan bergwanden, knettert als een volleerde motormuis door de straten van Parijs en maakt het luchtruim van Kashmir (in werkelijkheid Nieuw-Zeeland) onveilig. De bijdragen van sidekicks Henry Cavill (niet heel charismatisch), Ving Rhames (zalig figuur) en de clownesk aandoende Simon Pegg zijn daarbij van voldoende niveau.

Franchise-moeheid is een valkuil; niet zelden vallen sequels nogal tegen. Dat geldt opvallend genoeg niet voor deze franchise, die sinds de derde film de opgaande lijn te pakken heeft. Mission: Impossible – Fallout scoort op IMDb zelfs dik boven de 8. Hmm, dat is iets te veel van het goede. Ondanks steady lefgozer Tom die de gekste capriolen uithaalt, maar nimmer grip op de situatie verliest. Cruisecontrol noem je zoiets.

 Regie: Wes Anderson | Duur: 101 minuten | Taal: Engels & Japans | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Wes Anderson is de naam. Schilder onder de cineasten. Zijn films zijn feeëriek, ongrijpbaar, vaak ook een tikkeltje rauw. En vooral wonderbaarlijk fraai gestileerd. Denk aan Fantastic Mr. Fox (2009), Moonrise Kingdom (2012) of het knotsgekke The Grand Budapest Hotel (2014). Met zijn nieuwste creatie overtreft hij zichzelf nog maar eens: de stopmotionanimatiefilm Isle of Dogs doet je beslist als een ‘WAF’ (Wes Anderson-Fan) huiswaarts keren.

Isle of Dogs speelt zich af in het dystopische Megasaki, een stad in Japan. Na het uitroepen van de noodtoestand verbant de corrupte burgemeester Kobayashi alle honden in de stad naar een vuilnisstort, Trash Island genaamd. Ook Spots, de waakhond van Kobayashi’s 12-jarige pleegkind Atari, ontkomt niet aan het decreet. Maar Atari laat zich niet kennen en reist in een propellervliegtuigje af naar de troosteloze dumpplek. Geholpen door vijf honden begint hij vervolgens aan de zoektocht naar zijn trouwe viervoeter.

Anderson, tijdens de persconferentie op de Berlinale: “Ik wilde iets met hondjes op een vuilnisbelt en iets met Japan, vooral vanwege mijn liefde voor de films van Akira Kurosawa en de animatiefilms van Hayao Miyazaki.” Isle of Dogs is deels een hommage aan de twee meesters van de Japanse cinema. Het verhaal is simpel, maar van pure schoonheid; je ogen kunnen de beeldenpracht nauwelijks bijbenen. De stijl is Wes Anderson ten voeten uit. Eigenzinnige personages die op de bres springen voor rechtvaardigheid, veel gevoel voor symmetrie (frontale shots met het doelobject keurig in het midden van het beeld), houterige dialogen en een uitermate scherp oog voor detail. Wat dat laatste betreft: zelfs het ongedierte in de haren van de uitgemergelde honden is te zien, als je goed kijkt tenminste. Niets laat controlfreak Anderson aan het toeval over.

Bovendien heeft Isle of Dogs een sterstemmencast. U hoort onder anderen Edward Norton, Jeff Goldblum en Greta Gerwig. En Bill Murray natuurlijk, die in acht van Andersons negen films speelde. “We voelden ons echt jachthonden”, zegt Murray. “Het werd al gauw heel komisch. We keken elkaar aan met een blik van: hoe speel jij eigenlijk een hond? We probeerden elkaar voortdurend af te troeven in het niveau van hond.” Hoe uitstekend ze daarin zijn geslaagd, moet u echt gaan zien en horen in het beeldschone hondenleven dat Isle of Dogs is geworden.

 Regie: Warwick Thornton | Duur: 113 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

“Wat voor kans heeft dit land?”, vraagt predikant Fred Smith zich vertwijfeld af in Sweet Country. Hij is de roepende in de woestijn, het enige schaap in een gebied waar wolven de dienst uitmaken. Dat gebied is Centraal-Australië, waar Australische kolonisators de Aboriginals als slaven lieten werken, nota bene op land dat de oorspronkelijke bewoners ervan eerst werd afgepakt.

Sweet Country speelt zich af in 1929 en is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van Aboriginal Wilaberta Jack die terecht moest staan voor de moord op een blanke man. In de film overkomt Sam Kelly (Hamilton Morris) hetzelfde. Hij en zijn vrouw Lizzie worden door hun baas Smith (Sam Neil) uitgeleend aan Harry March (Ewen Leslie), een getraumatiseerde ex-soldaat die hen afschuwelijk behandelt. Wanneer Sam zich op een dag bedreigd voelt, escaleert de situatie en komt March om het leven. Sam en Lizzie nemen hierop de benen, maar een posse aangevoerd door sergeant Fletcher (Bryan Brown) achtervolgt het duo dwars door de Australische outback.

Expansiedrift en repressie zijn vaak synoniem aan elkaar. Van die onderdrukking hebben veel witte Australiërs echter geen weet. Thornton, zelf een Aboriginal: “Met deze film praat ik over dingen waarover niet gepraat wordt.” Door de ogen van Sam Kelly krijg je dan ook een bittere geschiedenisles op je bordje. Zo bitter dat men in Adelaide na de film met stomheid was geslagen, getuigde filmcriticus David Stratton achteraf. “A stunned silence.”

Een klassieke western is Sweet Country niet, alhoewel hij er meerdere kenmerken van heeft: cowboys, een stoffig dorpje, een kroeg, drank, verbaal en fysiek machtsvertoon. En niet te vergeten het ontzagwekkende landschap van Australië, beeldschoon gefilmd door Thornton en zijn zoon Dylan River. Maar wat het meest opvalt is dat de film geen muziek heeft, op het Peace in the Valley van Johnny Cash onder de aftiteling na; een rendez-vous tussen ironie en verlangen. “Ik wil dat je gaat luisteren naar de woestijn”, licht Thornton zijn keuze toe.

Geen spoortje heroïek in het aangrijpende Sweet Country, dat Thorntons eigen volk niets nieuws leert. “Maar wellicht steekt de rest van Australië er iets van op,” zegt de regisseur die in 2009 doorbrak met het qua thematiek vergelijkbare Samson and Delilah, en die het christendom ziet als een virus dat de stokoude Aboriginalcultuur in een oogwenk uitroeide. Allesbehalve sweet.

 Regie: Kyle Balda, Pierre Coffin & Eric Guillon | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

In Despicable Me (2010) is Gru schurk en surrogaatpapa tegelijk en in Despicable Me 2 (2013) stapt hij ook nog eens in het huwelijksbootje. Zijn vrouw Lucy (stem van Kristen Wiig) en dochtertjes Margo, Edith en Agnes keren allen terug in Despicable Me 3. Aan kolderieke momenten en halsbrekende toeren geen gebrek in deze sequel, waarmee het enige pluspunt meteen is genoemd.

Gru’s vredige bestaan wordt verstoord wanneer zijn krengerige moeder hem vertelt dat hij een tweelingbroer heeft: Dru. Met enige moeite weet hij Gru te verleiden tot een laatste boevenstreek: het stelen van een reusachtige diamant. Daarbij krijgen ze concurrentie van Balthazar Bratt, een voormalig kindsterretje dat uit de gratie is geraakt.

Despicable Me 3 is feitelijk een herhaling van zetten. Zo lijkt Balthazar Bratt erg op nerdy kwajongen Vector, Gru’s kwelgeest in de eerste film. Middels enorme bellen klapkauwgom – hoe verzin je het? – dwarsboomt de gefrustreerde vlegel zijn tegenstanders, waarbij ook Hollywood het moet ontgelden. Verder is kopstuk Gru minder prominent aanwezig omdat Dru zijn rol overneemt; het was slimmer geweest om stemacteur Steve Carell voor alléén Gru te reserveren. En dan is er nog Agnes, wier eindeloze eenhoorn-obsessie maakt dat ze in dit derde deel niet meer dat knuffelkindje van weleer is. Zint haar iets niet, dan gaat ze (bekend inmiddels) keihard gillen. Ten slotte zorgen ook de gele knechtjes voor weinig vertier. Ze blijven nogal op de achtergrond en opereren vooral als collectief. Hun onderlinge grollen, op de vingers van één hand te tellen, zijn slap.

Negentig minuten lang is het verdacht stil in de bioscoopzaal, waar originaliteit en humor de grote afwezigen zijn op het witte doek. Is het gezapige Despicable Me 3 een incident of is de toverformule nu echt uitgewerkt? Volgend jaar zomer volgt deel 4, maar het plot ervan riekt opnieuw naar oude wijn in nieuwe zakken.

 Regie: Andrew Stanton & Angus MacLane | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Velen herinneren zich ongetwijfeld Finding Nemo (2003) waarin anemoonvis Marlin zijn zoon uit een aquarium bevrijdt. De Pixar-productie brak alle records en werd beloond met de Oscar voor Beste Animatiefilm. Lachen kun je ook om de sequel Finding Dory, alhoewel het verhaal niet bijster origineel is.

Blauwe blub Dory verliest haar ouders uit het oog, waarna de rest van de film in het teken staat van haar zoektocht. Gedreven door flarden van herinneringen aan haar ouwelui trekt ze dwars door de Californische wateren, met Marlin en Nemo in het kielzog. Het trio geraakt zo in het Sigourney Weaver Maritime Life Institute, een centrum waar zieke vissen worden verzorgd.

Een kabbelend gebeuren is Finding Dory allerminst. Iedereen zwemt, spartelt en plonst er in sneltreinvaart op los. Opnieuw is de vormgeving om door een ringetje te halen; op dat vlak gaat voor Pixar geen zee te hoog. Ook de voice-acting is superieur. In Dory horen we het vertrouwde stemgeluid van Ellen DeGeneres, en dat van Ed O’Neill in de soms vinnige octopus Hank. Bijzonder knap is het schattige stemmetje van Sloane Murray (de jonge Dory).

Finding Dory is nectar voor de zintuigen, maar (en daar wringt de schoen) het script is nogal mager. Feitelijk is het een kopie van Finding Nemo, alleen zijn de rollen nu omgedraaid. Bij gebrek aan een goed plot wordt veel opgehangen aan Dory’s defecte geheugen. De film opent met: “Hoi, ik ben Dory. Ik lijd aan kortetermijn-geheugenverlies.” Aandoenlijk, haar bekentenis, maar na ettelijke keren hetzelfde liedje is de lol er wel van af. Daarnaast vindt later in de film de actie ook op land plaats en komen de dieren in aanraking met de mens. Een wending die het onschuldige karakter ietwat aantast.

Luchtig amusement in een sprankelende oufit: Finding Dory is toegankelijke materie voor een breed publiek. Gewoon een fijne familiefilm, maar geen onvergetelijke kijkervaring. Met de dozige Dory in een hoofdrol kun je dat laatste allicht niet verwachten.

Finding Dory

 Regie: Ron Howard | Duur: 121 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

In Inferno keert Tom Hanks terug als Robert Langdon, de beroemde professor kunstgeschiedenis en symboliek. De succesvolle scenarioschrijver David Koepp kreeg de opdracht om Dan Browns gelijknamige boek naar een filmscript te vertalen. En niemand minder dan Hans Zimmer componeerde de soundtrack. Genoeg grote namen, maar desondanks is de film een misbaksel.

Langdon wordt in een Florentijns ziekenhuis wakker met geheugenverlies. Hij blijkt een geheimzinnige cilinder te bezitten die aanwijzingen bevat over het einde van de wereld. Aangezien de hallucinerende Langdon zijn leven niet zeker is, helpt de jonge dokter Sienna Brooks (Felicity Jones) hem te ontsnappen. Samen openen ze de jacht op de kwade genius achter de cilinder, ene Zobrist die de wereldbevolking met een virus wil decimeren.

Regisseur Ron Howard laat er geen gras over groeien. Helaas. Inferno is een speurtocht waarvan de puzzelstukjes elkaar zo rap opvolgen dat het verhaal amper te verstouwen is. Het camerawerk en de montage gaan hierin ‘vrolijk’ mee. Schichtige, vaak onzinnige close-ups plus de lawine aan cuts maken de film tot een visuele helletocht. Ook het acteerwerk smaakt naar een tussendoortje. Hanks, permanent met een zorgelijke denkrimpel op het voorhoofd, maakt een verveelde indruk en Felicity Jones is, gezien haar bleke expressie, net een tot leven gewekte paspop. Enige chemie tussen de twee valt niet te bespeuren. De dialogen zijn lauw, Langdons opmerkingen cliché (“Things fall apart when you don’t look after them”) en lachen doe je niet één keer. Maar het meest verbijsterend is de ontknoping. Deze staat namelijk haaks op die in het boek. Kennelijk is de feelgoodfactor een heilig huisje dat je beter niet omver trapt.

Het boek van Dan Brown is gebaseerd op de Italiaanse schrijver Dante Alighieri (1265-1321) en de Kaart van de Hel, het schilderij dat kunstschilder Sandro Botticelli maakte van het eerste deel van Dante’s heldendicht De Goddelijke Komedie. Ondanks dat hier veelvuldig naar wordt verwezen, zou je dat bijna vergeten. Oorzaak: er lijkt geen geen wezenlijke relatie te bestaan tussen de belevenissen van Robert Langdon en het leven of werk van Dante. Los van de snelle hap die Inferno is, stelt de film vooral door dat manco enorm teleur.

Inferno

 Regie: Byron Howard, Rich Moore & Jared Bush | Duur: 108 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

Een betere wereld begint bij jezelf. Agente Judy Hopps levert het bewijs in Zootropolis, een animatiefilm uit de Walt Disney Animations Studios die je het best in de originele versie kunt bekijken. Het verhaal gaat over haar weg naar de top; een weg waar sommigen heel wat beren op zien.

Later wortels verbouwen, net als haar 275 broertjes en zusjes? Het nog jonge plattelandskonijntje Judy moet er niet aan denken. Ze wil namelijk dolgraag bij de politie. En dus slaat ze de goedbedoelde adviezen van haar ouders in de wind. Jaren later slaagt ze met vlag en wimpel voor de politieacademie, waarna ze zich mag bewijzen bij het politiekorps van Zootropolis, een stad waar alleen dieren leven. Daar groeit Judy uit tot een prima speurneus met een opvallende partner aan haar zijde, de sluwe vos Nick Wilde.

Zootropolis is kleurrijk en heeft een verrassend intelligent plot. Natuurlijk krijgt de kleine Judy heel wat te verduren in de grote stad. Maar niets gaat de slimmerik boven de (politie)pet. Bijgestaan door Nick, een zwendelaar die ze weet te temmen, stort ze zich op de mysterieuze vermissing van otter Emmit. Geen eenvoudige klus. In hoofdcommissaris Bogo treft ze een autoritaire bulldozer en bovendien komen de verhoudingen tussen prooi- en roofdieren in de stad op scherp te staan. “We zijn wel geëvolueerd, maar diep van binnen blijven we beesten”, vat maffiabaas Mr. Big het knelpunt samen. Behalve Maurice LaMarche (Mr. Big) leveren ook Jinnifer Goodwin (Judy), Jason Bateman (Nick) en Nate Torrence (Clawhauser) uitstekende stemvertolkingen af. De leukste scène is die waarin Judy en Nick kennismaken met luiaard Flash die – u raadt het al – niet de snelste is. Zijn reactie op Nicks mop is schitterend geanimeerd.

Een netelig vraagstuk als racisme, corrupte bestuurders en de rol van de media: de wereld anno nu is duidelijk voelbaar in het swingende Zootropolis. Volgens goed Amerikaans gebruik druipt de film van de moraal, maar ach, wie maalt daar om? Gelukkig wordt een en ander verpakt in een gulle lach. Veel plezier dus tijdens Zootropolis : over een vrolijke flapoor die haar dromen najaagt.

Zootropolis

 Regie: Robert Zemeckis | Duur: 123 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 9 jaar

Camera

In zijn memoires To Reach the Clouds vertelt de Franse waaghals Philippe Petit (1949) over zijn gedenkwaardige stunt op woensdag 7 augustus 1974. Eigenlijk is het een mirakel dat hij ‘le coup’ kan navertellen. Acteur Joseph Gordon-Levitt, in de rol van Philippe, doet dat in The Walk van regisseur Robert Zemeckis.

Tijdens een circusvoorstelling ziet de jonge Philippe iemand lijf en leden riskeren door hoog boven de grond over een draad te lopen. De vonk slaat over en op z’n zestiende zet hij zelf de eerste stapjes. Wanneer hij jaren later in Parijs als straatartiest de kost verdient, maakt hij kennis met koorddanser Rudy Omankowsky (Ben Kingsley) die Philippe enige tijd begeleidt. Onvoorwaardelijk gesteund door onder meer zijn vriendin Annie (Charlotte Le Bon) overbrugt hij in 1971 de afstand tussen de twee torens van de Notre-Dame. Maar dat is kinderspel vergeleken met de Twin Towers van het World Trade Center in New York, destijds het hoogste gebouw ter wereld.

Levitt speelt met flair een prettig gestoorde performer die stiekem zijn kabel spant op het spectaculairst denkbare podium. Heeft u last van hoogtevrees? Dan is het goed om te weten dat de acteurs zich tijdens de opnames op nog geen vier meter hoogte bevonden. De bovenste twee verdiepingen van het WTC werden nagebouwd en omgeven met green screen. De rest van de torens werd digitaal toegevoegd. Het effect is er niet minder om, want Philippe’s kunsten ogen adembenemend. Hoewel The Walk draait om zijn uitzonderlijke soloprestatie, is het voorbereidende werk van zijn trouwe ‘handlangers’ minstens zo indrukwekkend. Aan de hechte band tussen de personages is af te lezen dat de castleden elkaar buiten de set vaak opzochten. “Ze werden wat ze in de film zijn”, zegt Zemeckis.

Koste wat kost je droom willen realiseren vereist geloof, durf en toewijding. Maar dan zal het lot er ook voor zorgen dat die droom werkelijkheid wordt. Kijk maar naar Philippe Petit, een ballerino met ballen. The Walk is een hoogst amusante film over ‘the artistic crime of the century’ en een hommage aan haar decor: de iconische torens van het WTC.

The Walk

 Regie: Mark Osborne | Duur: 108 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: AL

Camera

Le Petit Prince, wie kent het niet? De Franse schrijver en (brokken)piloot Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) vergaarde er eeuwige roem mee. Het is het meest vertaalde boek ter wereld en in Frankrijk het best gelezen werk uit de Franse literatuur. De gelijknamige film van regisseur Mark Osborne loodst de kijker in vogelvlucht door het sprookje waarin ‘les grandes personnes’ (volwassenen) mikpunt van zachte spot zijn.

Volwassen mensen zijn namelijk rare snuiters. Zo ook de moeder van het kleine meisje in Le Petit Prince, een carrièretijger die zich voortdurend bemoeit met het leven van haar dochter. Nou ja, leven? Het is uitsluitend school wat de klok slaat. Tijd voor leuke dingen is er niet. Het arme kind gehoorzaamt gedwee, totdat ze op een dag kennismaakt met de oude buurman. Hij neemt haar mee op reis door zijn herinneringen aan de Kleine Prins, het ventje dat hem ooit het leven redde in de Sahara.

Qua vormgeving is er niets aan te merken op Le Petit Prince. De combinatie van twee technieken, computeranimatie en stop-motion, is stijlvol. Het huis van de oude man, zijn sprookjestuin en de tot leven gewekte illustraties uit het boek zijn fraai. Maar het vertelperspectief is anders dan in het boek. De lezer leert het prinsje kennen door de ogen van de ik-persoon (Saint-Exupéry), de kijker doet dat via het meisje. Geen probleem, ware het niet dat er ruis op de lijn is. Niet elke van de zeven planeten passeert de revue, en daarnaast overheersen de stormachtige belevenissen van het meisje die van het prinsje. Hierdoor komen niet alle symbolieken even goed uit de verf. Het leukst is nog de aimabele piloot (de stem van Bram van der Vlugt) met z’n archetypische baard.

Oogstrelend, maar inhoudelijk nogal chaotisch: de raamvertelling Le Petit Prince doet slechts ten dele recht aan het magische pareltje dat het boek is. Een zuivere weergave van het verhaal had waarschijnlijk meer tot de verbeelding gesproken. De film is een aardige introductie tot het boek; andersom helaas niet.

Le Petit Prince