Regie: David Lowery | Duur: 93 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Het maakt niet zoveel uit of hij de goeierik of slechterik speelt. Dat zal ongetwijfeld door zijn charme komen; die prikt immers door elke laag heen. Ik heb het over Robert Redford, met wie ik kennismaakte in Out of Africa (1985), de film die mijn destijds nog grasgroene innerlijk in lichterlaaie zette. Met The Old Man & the Gun sluit de 82-jarige acteur zijn indrukwekkende acteercarrière af. Een gedenkwaardig afscheid is het echter niet.

In The Old Man & the Gun vertolkt Redford Forrest Tucker, een bankovervaller die de pensioengerechtigde leeftijd al lang en breed is gepasseerd, maar de kneepjes van het vak nog niet is verleerd. Als hij in Jewel (Sissy Spacek) de vrouw van zijn dromen ontmoet, lijkt zijn leven compleet. Maar dat is buiten de jonge detective John Hunt (Casey Affleck) gerekend, die een klopjacht begint op Forrest en zijn handlangers.

Het snorrentijdperk, begin jaren 80 van de vorige eeuw. Forrest leidt een driekoppige roversbende. Alhoewel: van roversbende kun je amper spreken. Het kopstuk krijgt assistentie van leeftijdsgenoten Waller (Tom Waits) en Teddy (Danny Glover), maar om nu te zeggen dat de bejaardenbrigade echt tot de verbeelding spreekt, nou nee. Het verhaal is daarbij erg gericht op Forrest. Hij berooft solo (Waller en Teddy zijn feitelijk twee overbodige personages) en doet dat steevast met een vriendelijke glimlach op het gezicht. Het pistool dat hij steeds vluchtig tevoorschijn tovert, heeft vooral een symbolische betekenis.

Heel even dreigt de film leuk te worden, wanneer Redford en Affleck voor het eerst oog in oog staan met elkaar. Er volgt een aardige dialoog tussen de mannen (een van de weinige in de film), maar daar blijft het vervolgens bij. Want Hunt, op wie het leven zwaar drukt, gaat al snel door de knieën voor Forrest – hoe voorspelbaar. En ook Spacek geeft Redford nauwelijks tegengas. Beiden verdrinken van meet af aan in elkaars ogen. Twee oudjes die er lekker op los flirten; dat is nog het leukste aan The Old Man & the Gun.

Dat de kijker het nimmer moge vergeten: Robert Redford is een gentleman in optima forma. Maar The Old Man & the Gun, een misdaadkomedie die overigens op ware feiten is gebaseerd, kun je met de beste wil van de wereld geen eerbetoon aan de acteerlegende noemen. Suf plot, loom acteerwerk, loungemuziekje als soundtrack: de film heeft de amusementswaarde van een potje zomeravondvoetbal.

 

 Regie: David Kerr | Duur: 88 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Ooit had ‘rubber face’ Rowan Atkinson (1955) de lachers nadrukkelijk op zijn hand, in de rol van antiheld Mr. Bean. Had hij zich maar tot dat succes beperkt. Het is jammer dat de Britse acteur zich heeft laten strikken voor de bleke parodies Johnny English (2003), Johnny English Reborn (2011) en Johnny English Strikes Again. Voor alle drie geldt dat protagonist Johnny English de mislukte afgeleide is van Mr. Bean, waardoor er niet veel te lachen valt.

In Groot-Brittannië breekt de pleuris uit wanneer na een cyberaanval de personalia van alle geheim agenten op straat komen te liggen. Ex-spion Johnny English wordt hierop ingeschakeld om het brein achter deze snode daad te ontmaskeren.

Waarom zit er acht jaar tussen Johnny English en Johnny English Reborn? En duurt het zeven jaar eer we met Johnny English Strikes Again de beroepskluns opnieuw aan het werk zien? Niet omdat de tijd ertussen aan grondig denkwerk is besteed. Een parapluutje aan de neus getuigt daar in ieder geval niet van. En werkt mij bovendien niet op de lachspieren. Niet meer. Evenmin grappig: een English die op de dansvloer uit zijn dak gaat. Nog flauwer is de actie waarmee hij een peloton Franse wielrenners een halt toeroept. Qua humor richt de film zich duidelijk op kleuters; volwassenen zullen zich al snel vervelen.

Uiteraard weerspiegelt ook Johnny English Strikes Again de wereld anno nu en botsen moderne snufjes met het tijdperk-Desmond Llewelyn (‘Q’ in de James Bond-films). Twee werelden die co-existeren; het is eigenlijk het enige geslaagde plotlijntje in de film. Zo moet English enerzijds geloven aan virtual reality, maar verkiest hij anderzijds een vuurrode Aston Martin boven een hybride auto. Aardig is verder dat hij de met een iPad uitgeruste babyface-schurk zelfs in een middeleeuws harnas te slim af is. Die gekke Britten toch. Traditie voor alles.

Daarmee is de koek wel op. Johnny English Strikes Again is een magere komedie die ook niet leuker wordt door de aanwezigheid van de gelouterde Emma Thompson en de oogverblindende Olga Kurylenko. In Thompson zien we de hysterische variant van ‘Prime Minister’ Theresa May, Kurylenko speelt de femme fatale. Overtuigend is het allemaal niet. Hopelijk zet men een dikke punt achter deze franchise. Zo niet, think again.

 Regie: John Hughes | Duur: 97 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Ten tijde van The Breakfast Club zat de jeugd nog niet append op de fiets. Werd men nog niet volledig in beslag genomen door allerlei gadgets. The Breakfast Club is een komisch drama uit de jaren 80, toen de videorecorder de huiskamers veroverde en de Schotse popgroep Simple Minds haar hoogtijdagen vierde. Een ‘prehistorische’ film, maar met een thematiek van alle tijden.

Shermer High School, 24 maart 1984. Vijf leerlingen die elkaar niet kennen moeten voor straf een zaterdag doorbrengen in de bibliotheek van hun school. Van rector Richard Vernon (Paul Gleason) krijgen ze de opdracht zich schriftelijk en in doodse stilte te buigen over de kwestie ‘wie ben ik’. Een taak die het bonte gezelschap op geheel eigen wijze invult.

U voelt ‘m vast aankomen: van dat opstel komt weinig terecht. Toch schrijft het vijftal geschiedenis. Van enige groepscohesie is aanvankelijk geen sprake, maar onder leiding van de rebelse John (Judd Nelson) komen de vijf compleet verschillende persoonlijkheden langzaam tot elkaar. Waarbij ze onbedoeld geholpen worden door de gefrustreerde Vernon, in wie het kind morsdood is en die als gemeenschappelijke vijand voor de pubers fungeert.

Voortreffelijk acteerwerk maakt The Breakfast Club tot een zeer geslaagde tienerfilm. Ik noemde hem al: Judd Nelson als John Bender. Gangster, stoere bink, anarchist. Maar ook gevoelig. En schrander, wat blijkt uit de volzinnen die hij formuleert. Geniaal hoe hij zijn lotgenoten bespeelt, hen uit de tent lokt of tegen elkaar opzet. Ook zoekt hij voortdurend de confrontatie met Vernon. Daarmee oogst hij de stille bewondering van het keurige rijkeluismeisje Claire, erg goed gespeeld door Molly Ringwald. De interactie tussen de twee uitersten is om te zoenen.

Ook de drie andere antihelden kunnen er wat van: Emilio Estevez als het worsteltalent Andrew (‘Sporto’), Anthony Michael Hall als brave borst Brian en Ally Sheedy als de uit een gothicstrip weggelopen Allison. Wat een figuur, die Allison. Lange tijd zondert ze zich volledig af van de rest, maakt ze alleen maar piepgeluidjes of trekt ze rare bekken. Praten doet ze niet. Bijzonder grappig is de manier waarop mevrouw haar lunch prepareert.

Een saaie strafopdracht die uitloopt op een onvergetelijke ervaring: vijf jeugdige dissidenten onderwijzen zichzelf én elkaar in het met een vleugje romantiek overgoten The Breakfast Club, een pareltje waarvoor regisseur John Hughes in slechts twee dagen het script schreef, en dat met een formidabel kringgesprek eindigt. Vrienden voor het leven, zou ik zeggen. En ga jij lekker wieberen, Vernon!

 Regie: Wes Anderson | Duur: 101 minuten | Taal: Engels & Japans | Kijkwijzer: 6 jaar 

Camera

Wes Anderson is de naam. Schilder onder de cineasten. Zijn films zijn feeëriek, ongrijpbaar, vaak ook een tikkeltje rauw. En vooral wonderbaarlijk fraai gestileerd. Denk aan Fantastic Mr. Fox (2009), Moonrise Kingdom (2012) of het knotsgekke The Grand Budapest Hotel (2014). Met zijn nieuwste creatie overtreft hij zichzelf nog maar eens: de stopmotionanimatiefilm Isle of Dogs doet je beslist als een ‘WAF’ (Wes Anderson-Fan) huiswaarts keren.

Isle of Dogs speelt zich af in het dystopische Megasaki, een stad in Japan. Na het uitroepen van de noodtoestand verbant de corrupte burgemeester Kobayashi alle honden in de stad naar een vuilnisstort, Trash Island genaamd. Ook Spots, de waakhond van Kobayashi’s 12-jarige pleegkind Atari, ontkomt niet aan het decreet. Maar Atari laat zich niet kennen en reist in een propellervliegtuigje af naar de troosteloze dumpplek. Geholpen door vijf honden begint hij vervolgens aan de zoektocht naar zijn trouwe viervoeter.

Anderson, tijdens de persconferentie op de Berlinale: “Ik wilde iets met hondjes op een vuilnisbelt en iets met Japan, vooral vanwege mijn liefde voor de films van Akira Kurosawa en de animatiefilms van Hayao Miyazaki.” Isle of Dogs is deels een hommage aan de twee meesters van de Japanse cinema. Het verhaal is simpel, maar van pure schoonheid; je ogen kunnen de beeldenpracht nauwelijks bijbenen. De stijl is Wes Anderson ten voeten uit. Eigenzinnige personages die op de bres springen voor rechtvaardigheid, veel gevoel voor symmetrie (frontale shots met het doelobject keurig in het midden van het beeld), houterige dialogen en een uitermate scherp oog voor detail. Wat dat laatste betreft: zelfs het ongedierte in de haren van de uitgemergelde honden is te zien, als je goed kijkt tenminste. Niets laat controlfreak Anderson aan het toeval over.

Bovendien heeft Isle of Dogs een sterstemmencast. U hoort onder anderen Edward Norton, Jeff Goldblum en Greta Gerwig. En Bill Murray natuurlijk, die in acht van Andersons negen films speelde. “We voelden ons echt jachthonden”, zegt Murray. “Het werd al gauw heel komisch. We keken elkaar aan met een blik van: hoe speel jij eigenlijk een hond? We probeerden elkaar voortdurend af te troeven in het niveau van hond.” Hoe uitstekend ze daarin zijn geslaagd, moet u echt gaan zien en horen in het beeldschone hondenleven dat Isle of Dogs is geworden.

 Regie: Greta Gerwig | Duur: 94 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 12 jaar 

Camera

Sinds Frances Ha (2012) kan Greta Gerwig mijns inziens niet meer stuk. De actrice (1983) is hierin geweldig als aspirant-danseres Frances die in New York vrolijk struikelt over het leven. In zekere zin kun je Gerwigs regiedebuut Lady Bird de prequel van Frances Ha noemen. In Lady Bird ambieert hoofdpersoon Christine namelijk dolgraag een bestaan à la Frances: groots, en bij voorkeur in een bruisende stad.

Lady Bird, zo noemt de 17-jarige Christine McPherson (Saoirse Ronan) zichzelf. Het verhaal speelt zich af in 2002 in Sacramento (Californië), waar Gerwig geboren en getogen is. Dat is niet de enige parallel tussen de film en het leven van Gerwig. Zo is de moeder van Christine verpleegster, het beroep dat Gerwigs moeder (die trouwens Christine heet) ook lange tijd uitoefende. En net als Lady Bird zat Gerwig op een katholieke meisjesschool en droomde ze hardop van New York. Is Sacramento dan echt zo soul-killing als Christine stelt? Gerwig: “I wanted to make a love letter to Sacramento as seen through the eyes of someone who can’t appreciate how beautiful it is until she’s going away to someplace else.”

Christine McPherson, puber met groeipijnen – een verkapt pleonasme? In tegenstelling tot Gerwig (“I was not like Lady Bird”) is Christine excentriek. Ze verft haar haren en is een flapuit. Het meest tegen haar moeder Marion (Laurie Metcalf). In economisch barre tijden (vader McPherson wordt ontslagen) moet ze keihard werken om de eindjes aan elkaar te knopen. En dan ook nog een rebelse tiener aan je zijde! Heerlijk gebekvecht enerzijds, kwetsbare uitwisselingen anderzijds. Het kenmerkt de omgang tussen moeder en dochter die – prima casting – verdraaid veel op elkaar lijken. Maar hoe luid hun woordelijke strijd ook klinkt, voortdurend hoor je de liefde neuriën. Het is de balans tussen die twee waardoor Lady Bird zo charmeert.

Heb je Frances Ha gezien, dan zal Lady Bird aandoen als een prettig soort déjà-vu: Gerwigs regiestijl is vergelijkbaar met haar spel in Frances Ha. Dartel, oprecht. Uniek is de voor vijf Oscars genomineerde film echter niet; het acteerwerk is uitstekend, maar het plot ligt erg voor de hand. Een geslaagd, semi-autobiografisch portret van een bont vogeltje dat, eenmaal uitgevlogen, beseft dat thuis niet eens zo’n slecht nest was.

 Regie: Craig Gillespie | Duur: 120 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 16 jaar 

Camera

Voormalig kunstschaatsster Tonya Harding schreef geschiedenis toen ze in 1991 als eerste Amerikaanse vrouw een drievoudige axel uitvoerde. En ze straalde, geliefd als ze zich plotseling voelde. Maar drie jaar later hing de vlag er heel anders bij: na de Olympische Winterspelen in Lillehammer werd ze voor het leven geschorst. Het hoe en waarom van haar tragische val tekent regisseur Craig Gillespie op in het wervelende I, Tonya.

Tonya (Margot Robbie) is een natuurtalent en niets lijkt een glanscarrière in de weg te staan. Maar het meisje uit Oregon is bepaald niet van goede komaf; haar vulgaire outfits en gedrag zijn de keurige schaatswereld een doorn in het oog. Omringd door idioten, met goede en slechte bedoelingen, wordt ze meegezogen in een complot om haar grote rivale (de engelachtige Nancy Kerrigan) de voet dwars te zetten.

“Suck my dick!” bijt Tonya de jury toe in de film. “Had ik dat maar echt gezegd”, was volgens Robbie de reactie van Harding, die zeer onder de indruk was van I, Tonya. Als de voortekenen niet bedriegen, gaat de film met minstens één Oscar naar huis. Grote kans dat Robbie die wint, want de Australische actrice speelt grandioos. De kansarme Tonya dwingt een enorme compassie af. Ze is deels dader, maar vooral het slachtoffer van een verziekte jeugd. En later van haar entourage, een stel zeldzame klunzen bij elkaar. Continu moet ze zich hiertegen wapenen. Gescheld en fysiek geweld knallen dan ook van het doek.

Gaat de Oscar niet naar Robbie, dan toch zeker wel naar Allison Janney. Als Tonya’s moeder LaVona blaast de actrice je keihard omver. Mijn god, wat speelt zij monsterlijk goed! Alsof er puur vergif door haar aderen stroomt. Eens te meer besef je dat de appel niet ver van de boom valt. “You cursed me” is Tonya’s verwijt aan haar adres. Een helse erfenis, klevend als pek.

De klasse van I, Tonya beperkt zich niet tot het acteerwerk alleen. Het spitse script wisselt hartverscheurend drama af met dolkomische momenten. Meermaals richten de personages zich ook rechtstreeks tot de kijker (het doorbreken van de vierde wand), of beschouwen ze de gebeurtenissen in gereconstrueerde interviewfragmenten. Alle credits voor Tatiana S. Riegel, wier fantastische montage de lijm is tussen de diverse invalshoeken en vertelvormen.

Harding: “There’s no such thing as truth. That’s bullshit.” Daarom nagelt Gillespie ook niemand aan het kruis in de foutloze kür die zijn biopic is. De film is geworden zoals hij bedoeld is: niet een waarheidsgetrouw, maar een werkelijkheidsgetrouw portret van een rafelige fee op twee ijzers.

 Regie: Jelle de Jonge | Duur: 98 minuten | Taal: Nederlands | Kijkwijzer: AL 

Camera

Ruim een maand geleden ging Weg van Jou in première en nog steeds trekt de romantische komedie volle zalen. “Meer bezoekers dan Harry Potter en James Bond”, zegt Sander Verdonk van bioscoop CineCity in Terneuzen. Ook in de rest van Nederland doet de film het uitstekend. Succes dat voor het leeuwendeel is te danken aan hoofdrolspeelster Katja Herbers.

Herbers speelt de ambitieuze Evi die helemaal klaar is voor een droombaan in het Braziliaanse Rio de Janeiro. Maar de sambagirl in spe eindigt als mosselmeid: niet het spetterende Rio maar het rustieke Terneuzen is haar nieuwe honk. Ze moet er de aanleg van een zeesluis in goede banen leiden, maar makkelijk gaat dat niet. Want voordat ze de strijd met het water kan aangaan, moet ze eerst de lokale bevolking overtuigen van het nut van de sluis. Bovendien komt ze zichzelf behoorlijk tegen in het Zeeuwse “rampengat”.

Weg van Jou is een beetje de Hollandse variant van Bienvenue chez les Ch’tis (2008), de Franse hitkomedie waarin Philippe, woon- en werkachtig in de Provence, wordt overgeplaatst naar het kille Lille. Herinnert u zich de scène waarin hij de regio Nord-Pas-de-Calais binnenrijdt? Direct na zijn entree komt het met bakken uit de lucht. Hetzelfde gebeurt Evi kort nadat ze het bord Terneuzen is gepasseerd. Toeval of toespeling?

En net als Philippe loopt Evi tegen een taalbarrière aan. Ze mummelen maar wat, die stugge Zeeuwen. Gek wordt ze ervan. Minstens zo hinderlijk is dat ze ook háár niet begrijpen. “Is er een dresscode?” vraagt ze. “Huh?” antwoordt Marloes (Margôt Ros), die best familie van Jomanda zou kunnen zijn. Schipper Stijn (Maarten Heijmans) is wel te verstaan, maar als woordvoerder van het actiecomité tegen de sluis is hij vooral een dwarsligger.

Bolussen, mosselen, boeren, schapen, klei: Weg van Jou stapelt de clichés over Zeeuws-Vlaanderen op, maar steekt er tegelijkertijd lekker de draak mee. Geregeld lig je dan ook dubbel, waarbij de fris acterende Herbers de grootste duit in het zakje doet. Haar prachtig bruine kijkers staan aan het roer van een puntgave expressie; vooral Evi’s verdwaasde blikken zijn bijzonder grappig. Fijn dat kalme zeebonk Stijn de hippe carrièretijger wegwijs maakt. Hoe dat afloopt? Grenzeloze liefde vind je niet zelden om de hoek.

 

 Regie: Michael Showalter | Duur: 120 minuten | Taal: Engels & Urdu | Kijkwijzer: AL

Camera

Op 14 juli waren Kumail Nanjiani en Emily V. Gordon tien jaar getrouwd. Toevallig ook de dag dat in Amerika The Big Sick in première ging. Echt hún film, omdat hij gebaseerd is op het liefdesverhaal van de tortelduifjes, die samen het scenario schreven. Vooral daarom is The Big Sick de meest authentieke romkom in lange tijd, hoe voorspelbaar het plot ook is.

Studente psychologie Emily (Zoe Kazan) en de Pakistaans-Amerikaanse stand-up komiek Kumail leren elkaar kennen tijdens een van zijn optredens, waarna ze een plezante nacht doorbrengen. Ze spreken vervolgens af het bij die ene uitspatting te laten, maar dat pact sneuvelt hopeloos. Toch gaat het mis. Emily komt er namelijk achter dat Kumail zijn relatie met haar verzwijgt voor zijn ouders, die hun zoon liever zien trouwen met een Pakistaanse.

Arme Kumail, man tussen twee vuren. Moederlief moet en zal hem uithuwelijken aan een vrouw van Pakistaanse bloede, en dan verdwijnt Emily ook nog eens van het toneel. Eerst dumpt ze hem, om erna met een zware longinfectie in het ziekenhuis te belanden; het keerpunt in de film. Terwijl een buslading medici zich bekommert om Emily, wijkt Kumail geen moment van haar zijde. Tot irritatie van haar moeder Beth (Holly Hunter) en haar vader Terry (Ray Romano), het grappigste personage van allemaal. De twee vormen een hilarisch duo. Zij is een klein keffertje, hij een verstrooide professor die flink spijt heeft van een slippertje. Heel anders maar net zo levendig is de chemie tussen Kumail en Emily. Terwijl de grapjas het relatief makkelijk heeft omdat hij zichzelf speelt, moet Zoe Kazan echt aan de bak. En dat doet ze met veel elan.

The Big Sick zit vol amoureus gepingpong en droge humor, waarbij Kumails afkomst een bron van kwinkslagen is. Wist u bijvoorbeeld dat cricket in Pakistan een soort religie is? Opmerkelijk is verder dat Amerika’s diepe wond (9/11) ook mikpunt van spot is; Kumails grap hierover mag je gerust als gewaagd betitelen. Het allerbelangrijkste echter? Wanneer aan het eind van The Big Sick alle hobbels zijn benoemd en genomen, verlaat je breed glimlachend de bioscoopzaal.

 Regie: Kyle Balda, Pierre Coffin & Eric Guillon | Duur: 89 minuten | Taal: Engels | Kijkwijzer: 6 jaar

Camera

In Despicable Me (2010) is Gru schurk en surrogaatpapa tegelijk en in Despicable Me 2 (2013) stapt hij ook nog eens in het huwelijksbootje. Zijn vrouw Lucy (stem van Kristen Wiig) en dochtertjes Margo, Edith en Agnes keren allen terug in Despicable Me 3. Aan kolderieke momenten en halsbrekende toeren geen gebrek in deze sequel, waarmee het enige pluspunt meteen is genoemd.

Gru’s vredige bestaan wordt verstoord wanneer zijn krengerige moeder hem vertelt dat hij een tweelingbroer heeft: Dru. Met enige moeite weet hij Gru te verleiden tot een laatste boevenstreek: het stelen van een reusachtige diamant. Daarbij krijgen ze concurrentie van Balthazar Bratt, een voormalig kindsterretje dat uit de gratie is geraakt.

Despicable Me 3 is feitelijk een herhaling van zetten. Zo lijkt Balthazar Bratt erg op nerdy kwajongen Vector, Gru’s kwelgeest in de eerste film. Middels enorme bellen klapkauwgom – hoe verzin je het? – dwarsboomt de gefrustreerde vlegel zijn tegenstanders, waarbij ook Hollywood het moet ontgelden. Verder is kopstuk Gru minder prominent aanwezig omdat Dru zijn rol overneemt; het was slimmer geweest om stemacteur Steve Carell voor alléén Gru te reserveren. En dan is er nog Agnes, wier eindeloze eenhoorn-obsessie maakt dat ze in dit derde deel niet meer dat knuffelkindje van weleer is. Zint haar iets niet, dan gaat ze (bekend inmiddels) keihard gillen. Ten slotte zorgen ook de gele knechtjes voor weinig vertier. Ze blijven nogal op de achtergrond en opereren vooral als collectief. Hun onderlinge grollen, op de vingers van één hand te tellen, zijn slap.

Negentig minuten lang is het verdacht stil in de bioscoopzaal, waar originaliteit en humor de grote afwezigen zijn op het witte doek. Is het gezapige Despicable Me 3 een incident of is de toverformule nu echt uitgewerkt? Volgend jaar zomer volgt deel 4, maar het plot ervan riekt opnieuw naar oude wijn in nieuwe zakken.

 Regie: Aki Kaurismäki | Duur: 100 minuten | Taal: Fins & Arabisch | Kijkwijzer: 12 jaar

Camera

Zijn eigen films vindt hij vreselijk, die van Martin Scorsese nog slechter. Kettingroker, drankorgel en zuchtend onder een somber wereldbeeld: Finlands belangrijkste filmmaker Aki Kaurismäki (1957) is bepaald niet het zonnetje in huis. In zijn donkere films portretteert hij vaak kleurloze, van elkaar afgesneden personages. Noem zijn werk gerust een reflectie van zijn ziel. En van het in grijstinten badende Finland. The Other Side of Hope vormt hierop geen uitzondering.

In The Other Side of Hope vraagt de Syrische oorlogsvluchteling Khaled (Sherwan Haji) asiel aan in Helsinki. Zijn aanvraag wordt afgewezen, waarna hij op de dag van zijn repatriëring het azc ontvlucht en op straat belandt. De volgende morgen maakt hij hardhandig kennis met Wikström (Sakari Kuosmanen), een norse vijftiger en kersverse eigenaar van een restaurant.

Geruime tijd schakelt Kaurismäki tussen Khaleds belevenissen en die van Wikström. Terwijl Wikström, het alter ego van Kaurismäki, besluit zijn leven om te gooien, rolt de niet te benijden Khaled door de asielprocedure. Alsof zijn van tragedie omgeven vlucht uit Aleppo nog niet genoeg is, krijgt de uiterlijk gelaten Khaled (een sterk spelende Haji) ook te maken met xenofobe uitingen. Zijn welkome ontmoeting met ex-zakenman Wikström, die hem emplooi biedt, is de definitieve lancering van dit drama waarin Kaurismäki de ernst tempert door de lachspieren fijnzinnig te kietelen. Grinniken moet je vooral om de expressie van de personages, die naadloos aansluit bij de doodse setting. De tweede scène is hiervan een mooi voorbeeld. Zonder een woord met haar te wisselen – maar als blikken konden doden! – keert Wikström hierin zijn vrouw de rug toe. Later in de film wordt de humor meer uitgesproken. Zo is de culinaire koerswijziging van zijn slechtlopende restaurant ronduit hilarisch.

Bloedserieus, de vluchtelingenproblematiek, en dat gegeven ontkracht Kaurismäki geenszins. Maar in droge humor beschikt The Other Side of Hope over een doeltreffend tegengif. Een sobere maar kundig gemaakte, naar het einde toe zelfs vertederende tragikomedie van een cineast in wiens werk telkens zijn eigen woorden doorklinken: “Wanneer alle hoop is vervlogen, is er geen reden meer voor pessimisme.”